11. Eten

Eten is nogal een ding bij ons thuis. Als Frida en ik samen zijn en de kinderen bij hun vader, valt dat mee. Meestal kook ik en meestal bedankt Frida mij na afloop met de woorden: “Je mag blijven.” Ik denk dat we vrij gevarieerd eten, regelmatig iets nieuws, redelijk gezond en af en toe iets te scherp. Frida houdt niet van spruitjes, maar verder lust ze eigenlijk alles wat ik ook lust, dus ingewikkeld is het niet. Dat is anders op de momenten dat de kinderen er zijn.

Sam, de oudste, is het makkelijkst. Hij eet meestal vrij goed, zolang het maar een gerecht is dat hij kent. Hij is zelfs wel eens bereid iets nieuws te proberen. Als hij de avondmaaltijd lekker vindt, bewaren we een portie voor de avond, want voorlopig is er geen enkel zicht op overgewicht. Integendeel. Sam heeft Arfid, maar daar merk je niet zoveel van. Hij heeft een behoorlijk ontwikkelde discipline, ook op gebied van eten. Ondanks zijn Arfid (gebrek aan eetlust), eet hij en meestal genoeg. Als het avondmaal geen hit is, neemt hij ‘s avonds een halve zak chips. Overdag vult hij zijn calorieën aan met mierzoete houdbare milkshakes van de Aldi.

Daan, de jongste, is wat lastiger. Daan doet vooral rare dingen met zijn eten. Hij pelt z’n schnitzels en rookworst, laat ‘s morgens zijn korstjes staan, hecht aan beleg met kleine verrassinkjes erin en vist ‘s avonds uit zijn maaltijd alle ingrediënten die hij herkent als niet-vlees of niet-zetmeel. Hij kan oprecht trots kijken als het hem wederom gelukt is alle groentetroep uit zijn maaltijd aan één kant van het bord te schuiven. Net als Sam eet hij vrijwel elk ontbijt en elke lunch hetzelfde (met een beperkt aantal variaties). Hij is voldoende op gewicht en raakt in grote paniek als hij iets nieuws moet proberen.

En dan is er nog Vera. Vera heeft ook Arfid. En glutenallergie. Vera eet vooral niet. Ze heeft een bmi van 13. Ze loopt daarom een groot deel van de tijd met een sonde in haar neus. Hoewel ze vaak niet of nauwelijks eet, houden we de illusie dat dat elk moment kan veranderen. En heel soms gebeurt dat. Dus we zetten glutenvrij (peperduur) voedsel voor haar neer met elke keer de hoop dat ze ervan eet. Helaas gaat het leeuwendeel telkenmale de kliko in. 

De laatste keer dat Vera naar het ziekenhuis moest voor het opnieuw plaatsen een sonde, hebben ze op haar het anorexia-protocol losgelaten. Onderdeel van dat protocol is dat ze de eerste 72 uur niet mócht eten om te kunnen zien wat de gewichtstoename als gevolg van de sondevoeding was. Dus toen ze in het ziekenhuis ‘s avonds vroeg om een yoghurt, werd dat geweigerd. Helaas lijkt ze hiervan te hebben geleerd dat er met een sonde geen noodzaak meer is om te eten, want sinds die tijd eet ze nog minder (vaak). En we proberen dit met hele milde aansporing te veranderen, want ze is ook vooral puber.

N.B. De namen in dit stuk zijn vervangen.

10. De kinderen

Als je op mijn leeftijd de liefde zoekt, vis je in een vijver waar de meeste visjes al eens kuit hebben geschoten. Ik heb daar vrede mee, temeer omdat ik geen behoefte voel zelf nazaten te veroorzaken en de keuze heb gemaakt dat ook niet meer te kunnen. Ik heb niks tegen kinderen, maar ik ben te oud en de wereld is vol genoeg. Als ik van meerwaarde kan zijn voor de kinderen van een ander, is dat ook prima.

De liefde van mijn leven heeft 3 kinderen: Sam (16), Vera (14) en Daan (12); respectievelijk twee keer autistisch en één keer adhd. Het was een package deal.

Het zijn slimme kinderen: gymnasium, havo en technasium, hoewel het nog wel spannend is of elk de eindstreep gaat halen. Ze zijn meestal in staat tot normale sociale interactie, behalve met z’n drieën aan tafel.

Hoewel hun papa gewoon papa is en 50 procent van de tijd de kinderen huisvest, deed ik in aanvang erg mijn best van zoveel mogelijk toegevoegde waarde te zijn: ik was de dienstbaarheid zelve, ging geen klusje uit de weg en probeerde met kleine attenties hun waardering te verdienen. Beetje dom voor iemand die al sinds 20 jaar doorlopend met leerlingen en vrienden met een handicap in het autistisch spectrum omgaat, zou je zeggen. En als je dat zegt, heb je gelijk.

Ik verschuil me bij deze misstap achter het feit dat ik nu geen professionele afstand bewaarde. Overigens is er op zich niets mis met dit gedrag, ware het niet dat ik blijkbaar mijn verwachtingen ben gaan voeden. En dat is niet verstandig. Want hoe vriendelijk en welopgevoed deze kinderen ook zijn, mijn bestaan is voor hen van geen noemenswaardig belang. Dat merk ik als ze na een week afwezigheid binnenkomen en me niet of nauwelijks groeten of als ze een week later weggaan zonder van mij afscheid te nemen. Er wordt -op z’n gunstigst- geïnformeerd naar mijn afwezigheid als ik een keer niet bij een gezamenlijke activiteit ben. En soms doet dat zeer. Zoals toen een poosje geleden Sams medicatie niet op orde was hij me toebeet dat ik me overal mee bemoeide en dat het soms voelde alsof hij twee vaders had van wie hij aan één een hekel had. Ik mocht raden welke. Of toen Vera aan tafel weer eens geen hap van haar ontbijt nam en ik -omdat mama even boven was – een aanmoediging dacht te moeten geven toegebeten kreeg dat ik misschien wel de oorzaak van haar eetprobleem was.

Beiden hebben na deze opmerkingen excuses aangeboden (na wat lichte dwang van mama), maar ik ben zelf geschrokken van hoe ik mij laat raken door zulke schijnbaar achteloze verwijten.

Sinds kort probeer ik mezelf in te houden me rechtstreeks voor de kinderen in te zetten. Dat vind ik niet makkelijk. Gelukkig kan ik voor mama wel alles doen. Want mama is mijn grote liefde en als je wilt weten hoeveel ik van mama houd, kijk je maar naar hoe de kinderen zijn.

N.B. De namen in dit stuk zijn vervangen.

9. Daar ga ik weer

Naast het CIV (zie blog 5) werk ik vier dagen op de ISK afdeling van een grote mbo in de regio. ISK staat voor Internationale schakelklas: dat houdt in dat studenten in maximaal 2 jaar voldoende Nederlands moeten leren, om daarna succesvol in te kunnen stromen in het regulier onderwijs. Op het eerste gezicht is dit een leuke baan: ik heb leuke collega’s, een prettige klas studenten en een vrij hoge mate van vrijheid om mijn eigen lessen in te delen. Er is veel te regelen: ik houd ICT-matig de zaak een beetje in de gaten en draaiende, ik zoek mee naar betere lesmethodes en ik heb de klassenstructuur helpen aanpassen waardoor we betere lessen kunnen geven. En toch moet ik weer gaan solliciteren.

Mijn kwaliteit is mijn valkuil: ik ga honderd procent voor mijn studenten. Ik doe vrij veel om zo goed mogelijke kwaliteit van onderwijs te kunnen bieden. Ik ben loyaal aan mijn collega’s, mijn studenten en aan mijn werkgever. Als collega’s of studenten die loyaliteit niet beantwoorden, kan ik daar wel mee omgaan. Maar zodra een werkgever mij slecht behandelt of niet serieus neemt, brand ik in hoog tempo af.

Mijn huidige leidinggevende (teamleider) geeft ons geen leiding. Sterker nog, ze heeft dat stukje verantwoordelijkheid overgedragen aan haar assistent. Wij zijn als afdeling maar een deel van haar verantwoordelijkheid en blijkbaar niet een belangrijk deel. Overigens kan hetzelfde gezegd worden over de assistent: wij zijn maar een onderdeel van haar takenpakket en hebben zeker niet haar focus. Dit laatste kenmerkt zich in ad-hoc “beleid” en veel van-tafel-schuif techniek. Waarom zijn het vaak de olifant in porseleinkast types die deze taken krijgen?

Ik kan hier niet mee omgaan. Verzoeken blijven liggen en vragen onbeantwoord. Alles in mij komt in opstand als ik iemand ronduit domme dingen hoor zeggen en zie doen omdat die zich in een positie bevindt om tegenstand listig de kop in te drukken. Machtsmisbruik. Misschien heb ik wel ODD, al heb ik in het verleden prima kunnen werken met leidinggevenden die met kennis van zaken mij aanstuurden.

In het Caribisch gebied heb ik om me heen veel mensen zien overleven door het ophalen van hun schouders. De houding van het is nou eenmaal zo is niet voor mij weggelegd. Ik probeer wel beter dan vroeger te kiezen waarop ik wel en niet reageer (choose your battles), maar zodra het onrecht mij aangaat of -erger nog- mensen voor wie ik mij verantwoordelijk voel, kan ik het heel slecht negeren. En als opstand niet helpt, blijft weggaan over.

Met een bevoegdheid Nederlands op zak kun je met een blinddoek op een dart op de kaart van Nederland gooien en werk vinden binnen 10 km van de plek waar je raakt. Op donderdag besloot ik dat het tijd was om een andere baan te zoeken en op vrijdag kreeg ik een uitnodiging voor een gesprek. Het lijkt me een leuke school. Het lijken me leuke leerlingen. Het is niet te ver fietsen. Nu afwachten hoe de leiding lijkt.

8. Zoals het loopt

Dat mijn tijd op Bonaire eindig was, had ik vrij snel besloten. Ik bevind me vaak in een spagaat: enerzijds verlang ik naar rust en regelmaat, maar zodra ik dat vind (of het zelfs maar in zicht is), zoek ik reuring en nieuwigheid. Bonaire is een mooi eiland, maar na een paar jaar biedt het weinig spanning. Aanvankelijk had ik mijn pijlen gericht op Vlieland: het leven op een eiland beviel me wel, maar dan liever eentje met de vaste wal dichterbij. Het liep anders.

In de zomer van 2020 ging ik naar Nederland en als voorbereiding voor mijn toekomstplannen had ik mijn Tinderpositie al eens op Vlieland gezet en blijkbaar viel Eelde binnen mijn actieradius. Ik had daardoor een match met Sarah. Met haar chatte ik de tijd vol tot de vakantie zou aanbreken. Voor mijn doen was ik al vrij lang vrijgezel (3 jaar) en in die periode heb ik nagedacht over wat ik in de liefde wil en niet wil en waarom het met al die andere vrouwen niet bleef duren. Daarbij legde ik ook nadrukkelijk de schuld bij mezelf: misschien verwachtte ik teveel of durfde ik me domweg niet te binden. Van een lieve vriendin op Bonaire leende ik een boekje over hechtingsproblematiek en dat leerde me twee dingen: ik ben niet onveilig gehecht en de meeste van mijn exen waren dat wel.

Ik heb in mijn leven eens twee jaar getreurd om een liefde die niet wilde lukken en daarna heb ik geconcludeerd dat het na een telleurstelling doelmatiger is om het opnieuw te proberen. En opnieuw. Op zoek naar goud. Soms leek het goud en dan toch weer niet. En dan bleef ik hangen omdat ik niet wist wanneer het afgelopen moest zijn. Met Sarah moest het direct goud zijn en anders begon ik er niet aan.

Sarah en ik waren geen goud. Dat gaf me meer tijd om andere mensen te zien, dus ik ben mijn vriend Daniël gaan opzoeken, met mijn zus naar Vlieland geweest en had tijd om met een oud-collega, Frida, naar de Efteling te gaan. Wij hadden sinds een half jaar app-contact en door schooluitstapjes goede herinneringen aan Kaatsheuvel, dus dat moest wel gezellig worden. Het werd niet gezellig. Het werd fantastisch.

Frida is zo’n vrouw die voor mijn gevoel way-out-of-my-league was. Dat gevoel had zij over mij ook, bleek. Ik had eerder geen reden gehad daarbij stil te staan omdat we beiden een relatie hadden, maar nu haar huwelijk slecht ging, was daar wel ruimte voor. Om haar de mogelijkheid te geven haar relatie nog te proberen te redden en omdat ik niet de reden wilde zijn van het stuklopen ervan, hebben we onze passie beteugeld, maar deze keer had ik geen twijfel: zo voelt goud en als het niet met Frida zou gaan, dan toch minimaal met dat gevoel. Ik ging wijzer terug naar Bonaire, maar zonder verwachtingen.

Iets meer dan een half jaar later sloot ik haar in mijn armen en daar is ze nog steeds.

N.B. De namen in dit stuk zijn grotendeels vervangen.

7. Even voorstellen

Waarschuwing: deze tekst is langer dan 500 woorden.

Vanaf Bonaire kwam ik niet alleen naar Nederland. Sterker nog, vanaf Sint Maarten ging ik al niet alleen naar Bonaire. Op 17 maart (Sint Patricks day 2018) zat ik op mijn porch (zo noemen ze op Sint Maarten een galerij) te genieten van een drankje toen het geluid van een te jonge poes mijn aandacht trok. Ik ontdekte Sophie, zoals ik haar later op de avond ben gaan noemen. Sophie was ongeveer een week of 4 oud en blijkbaar ouderloos. Dat betekent op zo’n eiland dat de moeder doodgereden of -gebeten is en volgens Antilliaans gebruik speelt vader doorgaans geen rol in de opvoeding. Ze liep bij de overburen en was duidelijk op zoek naar hulp. Ze was cypers en zag er niet uit. Vacht met plukjes, snotneusje en nestvlooien. Ik heb, moet ik tot mijn schroom bekennen, eerst nog geprobeerd het beestje onder te brengen bij de Amerikaanse overbuurvrouw, maar die bleek wijzer dan ik had ingeschat en huisdier nummer zoveel te weigeren. Dan maar zelf de eerste opvang doen. Binnen no-time begreep ik dat ik dit beestje niet meer zou afstaan.

De volgende dag een afspraak gemaakt bij de dierenarts waar het meisje ingeënt werd en met pilletjes, een speentje en een onderweg gekocht pak geitenmelk kon ik de verzorging van mijn nieuwe levensgezellin voortzetten. De kinderen uit de buurt waren ineens kind(eren) aan huis. Best gezellig.

Twee dagen later voetbalden de kinderen in de straat toen er eentje plotseling opgewonden naar me toekwam: “Sir, there’s another one!” Inderdaad bleek er nog een worm in lichte paniek rond te lopen in een vergelijkbare staat. Alleen dan in de kleur oranje. Ik nam onterecht aan dat het een mannetje was. Ekki, het buurjongetje dat het beestje had gespot, vroeg of hij het hebben mocht. Ik heb toen gezegd dat ik het eerst zou proberen op te knappen en daarna kon hij het overnemen. Hij mocht wel vast een naam bedenken. “Princess,” kwam hij mee. Omdat ik dacht dat het een jongetje was, hebben we er op mijn voorspraak toen “Prince” van gemaakt, wat ik wel lollig vond gezien mijn liefde voor de gelijknamige artiest. Ik heb Prince even laten meeliften op de medicijnen van Sophie om een paar dagen erna bij de dierenarts een eigen voorraad te regelen. Daar beleefde ik twee bijzondere momenten: Prince bleek een meisje en de rekening viel enorm mee. Het eerste omdat het blijkbaar helemaal geen regel is dat rode katten meestal mannetjes zijn en het laatste omdat de dierenarts een beleid voerde waarbij hij in de rekening zijn waardering voor de opvang van zwerfdieren liet blijken. Het was een van de spaarzame keren dat ik als blanke buitenlander ergens niet de hoofdprijs voor hoefde te betalen.

‘s Avonds kwamen vrienden langs en tijdens een relaas met ongeveer bovenstaande inhoud, hoorden we opnieuw een noodkreetje. In het donker met een zaklamp vonden we nog twee nestgenootjes van Princess en Sophie. Die heb ik de volgende dag gelukkig kunnen overdragen aan diezelfde vrienden. Eén van de stumpertjes heeft het niet overleefd, maar Tangerine (nog oranjer dan Princess) leeft ondertussen ook in Nederland.

De beide meisjes groeiden de eerste weken voorspoedig en behalve dat ze mijn krat met sokken als kattenbak hadden gebruikt, gedroegen ze zich netjes. Ik probeerde me niet teveel te binden aan mijn oranje pleegpoes, maar daar dacht zij anders over.

Later in gesprek met de buurjongen die op termijn de zorg over Princess zou krijgen, bleek dat hij als negenjarige het plan niet helemaal had doordacht. De poes mocht niet in huis, want mama was allergisch. Ekki dacht aan een doos naast het huis. Dat de poes daar niet beschermd zou zijn tegen loslopende honden, had hij nog niet bedacht. Ook het voer van de poes paste niet in de financiële planning. Ik begrijp best dat in de meeste landen mensen anders omgaan met (huis)dieren dan in Nederland, maar ik vond het toch mijn taak om Ekki duidelijk te maken dat het nemen van een huisdier verantwoordelijkheid met zich meebrengt. Nu was zijn interesse voor de al wat groter gegroeide poes al tanende, maar toen hij kort hierna eens bij zijn vader op bezoek was en een puppy mocht uitzoeken, was het pleit beslecht: de poes bleef bij mij. De hond kreeg trouwens de naam Princess. Ik weet niet of het een meisje was.

Zo kwam het dat ik op 17 juli 2018 met een reismandje met twee poezen en een grote koffer (met onderin een luchtdicht verpakte kattenbak) op Bonaire uit het vliegtuig stapte. Een tijdje erna herinnerde mijn nieuwe vriendin me eraan dat Princess wel een hele slechte naam was. Aangezien ze oranje is, lief en stoer is toen de keuze op Pippi gevallen.

Na bijna 3 jaar poezenparadijs kwam de dag om ze mee naar Nederland te nemen. Bij TUI is het aanmerkelijk goedkoper om poezen mee te nemen dan bij de KLM, zeker omdat ze samen in een mand mogen. Dat was een flinke mand. Probleem bleek om ze er samen in te krijgen: zodra ik er eentje in had en nummer twee wilde opsluiten, schoot nummer één er weer uit. Na twee keer begrepen de dames wat de bedoeling was en lieten ze zich bijna helemaal niet meer pakken. Bij de een na laatste poging schoot zelfs het deurtje uit de voegen en ontsnapten ze tegelijk. Louise, mijn schat van een huisbaas, hielp me daarna en uiteindelijk zaten de poezen beide in de mand. Of ik het deurtje nog wilde zekeren? Nee, ik had er zo wel vertrouwen in.

In het vliegtuig waar ik overhaast ingecheckt had (er was besloten een uur eerder te vertrekken) hoorde ik in flarden een steward aan een stewardes vertellen dat er twee katten in een mandje zaten en er één ontsnapt was. Dat de eigenaar wel raar zou staan kijken. Voor ik in de gelegenheid was één van de twee sprekers aan te schieten om te checken of dit om mijn poezen ging, vertrokken we en ik heb beide personeelsleden niet meer gezien.

Gelukkig kan ik vrij goed zaken loslaten waarop ik geen invloed heb. Ik heb natuurlijk wel uit het raam gekeken en me afgevraagd welke van de twee ontsnapt was en af en toe voelde ik een steen in mijn maag. Ik heb allerlei scenario’s bedacht die er zouden kunnen gebeuren en was mezelf dankbaar dat ik ze had laten chippen. Ik werd pas wijzer toen ik in Schiphol bij de bijzondere bagage stond. Daar zag ik door het raam van een deur de kattenmand staan met alleen Sophie voor het deurtje. Halverwege de verdrietige Whatsapp aan mijn vriendin kwam ineens ook het koppie van Pippi tevoorschijn. Nooit meer zo blij geweest ze te zien.

In Nederland hebben de meisjes in eerste instantie vooral veel op de verwarming en onder het dekbed gelegen. Het was april en zeker 15 graden kouder dan op Bonaire. Maar ze zijn gewend en volgens mij best tevreden met hun leven hier.

 

6. Gebakken lucht

Zoals ik eerder heb vermeld, heb ik een aantal jaar in de automatisering gewerkt. ICT is een populairdere benaming. Je moet je daar niet teveel bij voorstellen. Ik was als drop-out met een havo diploma en oud homecomputer-hobbyist goed genoeg om bij een helpdesk te komen zitten (waar iedereen die werkelijk goede antwoorden kan geven onmiddellijk weggepromoveerd wordt). Daarna heb ik de voor mij meest interessante keuzes gemaakt en 5 jaar en 4 werkgevers later was ik een specialist: dat is iemand die veel weet over heel weinig. Het leverde een leuk salaris op, maar matige voldoening. Daarom ben ik het onderwijs ingegaan.

In het land der blinden, was ik direct de eenoog. Bij mijn eerste school werd ik IT-coördinator en ook bij de werkgevers erna was er altijd wel iets met computers waarbij ik bovengemiddeld betrokken was. Vanuit die positie heb ik gewoonlijk meer contact met de collega’s van ICT dan de anderen. Wat mij daarin altijd (heeft) verbaasd is de enorme hoeveelheid onzin die daar geroepen wordt. Voor mij staat de gemiddelde ICT’er op dezelfde hoogte als een automonteur: als het niet werkt ga jij aan de slag om het op te lossen. Dat doe je zo snel en efficiënt mogelijk, zodat de gebruiker weer verder kan. Maar ergens is iets misgegaan, want de meeste ICT’ers beschouwen zichzelf als godenzonen (en dochters).

De doorsnee ICT’er weet jou bij een hulpvraag het gevoel te geven dat a: je enorm en onterecht stoort; b: het jouw schuld is en c: als er een oplossing komt het een huzarenstukje is dat zeker veel tijd gaat kosten. En dat terwijl een groot deel van de problemen veroorzaakt wordt door een slecht georganiseerd automatiseringssysteem. 

Zo ook bij één van mijn werkgevers. Een ruim jaar geleden werd de school gehackt, wat best vervelend is. Dat het bizar veel tijd en moeite kost om één en ander te herstellen, wil ik nog wel aannemen, maar de volstrekte onzin-argumenten die langskwamen om te verklaren waarom het allemaal zo moeizaam liep, gingen zelfs mijn fantasie ver te boven. En de lariekoek die nu aangewend wordt om uit oog van veiligheid alle verkeer te weigeren dat niet van een erkende apparaten komt, is stuitend. Je zult maar een innovatie-afdeling zijn die gebruik moet maken van zo’n netwerk. De meeste gadgets heb ik moeten demonstreren door van mijn telefoon een hotspot te maken. Het CIV heeft daarom gepleit voor een eigen netwerk (eigen ISP, onbekabeld) en dat werd geweigerd. Want als het netwerk is binnen het pand, moet de ICT er iets over hebben te zeggen. We vroegen er niet eens ondersteuning voor.

Kort geleden heeft een regionale zorginstelling besloten om met hun innovatie-afdeling bij ons op locatie te komen werken: in de zorg kun je maar beter je krachten bundelen. Ze willen dan hun eigen netwerk meenemen met de daarbij behorende ondersteuning. Wij kijken niet alleen uit naar de samenwerking, maar ook naar het gastgebruik van hun netwerk. En weer ligt een ICT’er dwars: met veel gebakken lucht.

5. Bijna bijgepraat.

In mijn vorige blog heb ik een stukje overgeslagen en dat is niet terecht. Ik werkte bij mijn nieuwe Nederlandse werkgever bij de afdeling zorg en welzijn. Via die afdeling werd ik (op mijn verzoek) een dag per week gedetacheerd bij het Centrum voor Innovatief Vakmanschap. Deze afdeling houdt zich bezig met allerlei vormen van zorg en innovatie. Omdat ik een aantal jaar in de automatisering heb gewerkt, ben ik al snel de handige Harry op een afdeling en dat geldt ook voor het CIV: als er een stekker aan zit en er is een gebruiksaanwijzing te vinden, dan weet ik het meestal wel aan de praat te krijgen. En dat is een kwaliteit in een omgeving met vooral mensen uit het onderwijs.

Toen ik begon bij het CIV was mijn vraag: wat moet ik doen? Het antwoord was net zo bevrijdend als angstaanjagend: zoek dat zelf maar uit. Er zullen vast meer mensen zijn die op die manier hun geld kunnen verdienen, maar voor mij was dit behoorlijk nieuw. Ik heb me de eerste weken vooral schuldig gevoeld omdat ik twijfelde aan mijn rendement. Toch had ik met een diploma toneelacademie op zak minder verbaasd moeten zijn dat creativiteit (lees innovatie) vooral voortkomt uit ruimte te mogen experimenteren. Ondertussen geniet ik vooral van die vrijheid. Ik zeg ondertussen, omdat tot mijn vreugde mijn dienstverband bij het CIV nog steeds voortduurt.

Om een beetje idee te geven van het bestaansrecht van het CIV is het goed om een paar dingen te duiden. Als we in Nederland zorg willen blijven geven zoals we dat in het verleden hebben gedaan, komen we over 10 jaar zo’n 40.000 FTE tekort aan personeel. Dat is niet alleen onbetaalbaar, maar ook onhaalbaar. We moeten dus zorg slimmer gaan inrichten. Er is al geweldig veel aan slimmigheid op de markt, maar niet alle briljante snufjes werken in de praktijk en niet in de laatste plaats omdat er weinig draagvlak is om ze te integreren. Wat wij doen in het CIV is de studenten van ons mbo voor te lichten en te inspireren op gebied van innovatie. We laten zien wat er is en we stimuleren ze na te denken op wat er zou moeten komen. Datzelfde doen we met zorginstellingen en mantelzorgers.

Mijn week heeft twee adempauzes: het weekend (vooral als de kinderen er niet zijn, maar daarover later meer) en de woensdag: mijn werkdag bij het CIV. Met een inspirerende ploeg collega’s en elke dag een nieuwe uitdaging is dit een dag om naar uit te kijken. De ene keer om samen met Maarten bezig te zijn met opnames voor een 360 graden informatiefilm en de andere keer om bezig te zijn met lesmateriaal om studenten digitaal vaardiger te maken, soms om een nieuwe gadget aan het werk te krijgen of om mee te denken over de onmogelijkheden van het schoolnetwerk en de wensen dit te verbeteren.

Ik ben dol op het CIV, maar voor de rest van de week moest ik dus solliciteren.

4. En toen

“Docent Creatieve vakken” was de functieomschrijving, met de ruimte dat zelf in te vullen. Omdat ik naast docent Nederlands ook docent drama ben, klonk dat als muziek in mijn oren. Unitdirecteur Willy was een visionair, zo leek het en natuurlijk zag ik een uitdaging in het zelf mogen opbouwen van een curriculum. Al snel bleek de waarheid anders.

Misschien had ik lont moeten ruiken toen er bleek geen geschikte ruimte te zijn voor het verzorgen van het vak drama. Of muziek. In eerste instantie maakte het de uitdaging vooral groter en dus ging ik vol goede moed aan de slag. Maar het beleid van de school maakte dat heel moeilijk.

Ik begrijp heel goed dat je als leerplichtig adolescent niet staat te popelen om ‘s morgens naar school te gaan. In alle eerlijkheid heb ik op die leeftijd ook geen minuut langer in de les gezeten dan strikt noodzakelijk was. Maar toen was er een noodzaak en die heette consequenties. Die ontbraken bij mijn nieuwe werkgever. Zoals Willy het verwoordde: elke leerling hier heeft een rugzak en je kunt ze niet straffen voor afwezigheid. Ze hebben recht op onderwijs. Ik ga daar heel ver in mee. Maar ik had graag toegevoegd dat genoten onderwijstijd gekoppeld zou zijn aan studietempo. Want als een leerling als enige van de klas op school komt en merkt dat de 19 klasgenoten die er niet zijn op geen enkele wijze negatieve gevolgen ondervinden van hun uitslaapbehoefte (en dit is geen hypothetisch voorbeeld), dan lukt het mij als docent drama niet om deze fanatieke (lees normale) student zo’n geweldige les te bezorgen dat zij volgende week weer als enige verschijnt. En de week na een drukbezochte dramales (het uur erna kregen ze een verplichte vaccinatie) waar de klas jubelend van enthousiasme het lokaal verliet, kwam er niemand. Eind van het jaar was nog geen 20 procent van mijn lessen iets creatief. Ik was gewoon docent Nederlands.

Ik heb eens gedurende 4 weken in een klas aan 1 studente lesgegeven die daarna klaar was voor het examen schrijven 2F Nederlands. Op mijn vraag of zij dit examen eerder kon doen, zodat ik haar daarna kon voorbereiden voor een examen van een niveau hoger, brak paniek uit. Dat was niet de bedoeling! Omdat mijn directrice zichzelf regelmatig stout noemde, ben ik het toen ook geweest en heb ik het de student toch aangeboden. En toen brak de pleuris uit. De medewerker met alle kenmerken van ASS die dit administratief had moeten verwerken, heeft daarna geen woord meer tegen me gezegd. Uiteindelijk leverde het me een kleine overwinning op en is er een precedent ontstaan voor vergelijkbare situaties waarin een student sneller dan het programma voorschrijft bepaalde examens mag doen. Op Bonaire deden we niet anders.

Lesgeven in een omgeving waarin er vrijwel geen middelen zijn om een student te verplichten aanwezig te zijn of mee te doen voelt als zwemmen met je handen op je rug. School en ik matchten niet. Tijd om te weer te gaan solliciteren.

Word vervolgd

3. Hoe het verder ging

De eerste woorden Papiaments die ik oppikte in het onderwijs waren de woorden ‘kansa’ en ‘humber’ wat respectievelijk ‘moe’ en ‘honger’ betekenen. Ook op het mbo bleken die de belangrijkste levensbehoeften van de leerlingen te bepalen. Maar de vooruitgang vergeleken de populatie van het praktijkonderwijs was onmiskenbaar: ze renden hier niet door het lokaal, leken af en toe gevoelig voor beoordelingen en scholden beduidend minder. Alleen de presentie viel nogal tegen. Ik ben nooit echt goed geweest in het ophalen van mijn schouders, maar ik heb het wel geleerd op de Antillen.

Gelukkig was er op het mbo een geweldig leuke club collega’s en zijn er ook studenten geweest die het werk wel leuk maakten. De titel ‘student’ is wat mij betreft voorbehouden aan degenen die een afleiding van het woord ‘studeren’ verdienen. Ik kreeg een gezellige mentorklas van volwassen bbl studenten en kon binnen de organisatie mezelf nuttig maken met mijn creatieve vaardigheden en IT kennis.   

Ik heb eens gelezen dat uit onderzoek blijkt dat mensen – ongeacht hun sociale status en positie – hun leven gemiddeld beoordelen met een 7. Als er zojuist een verandering is geweest, kan dit cijfer wel flink afwijken, maar blijkbaar wordt de status quo ervaren als voldoende. Dat geldt ook als je woont op een tropisch eiland. Het vermoeden van een permanent vakantiegevoel is onterecht. De meeste dagen ben je aan het werk en heb je de algemene dagelijkse beslommeringen, maar dan met een temperatuur van boven de 30 graden. Als makkelijke zweter heb ik me regelmatig afgevraagd of ik niet beter op Groenland had kunnen solliciteren. In de periode dat we vanwege Corona geen leerlingen op school ontvingen, ging ik regelmatig toch in een klaslokaal zitten om gebruik te kunnen maken van de airco. Overigens was het aantal corona besmettingen op het eiland nooit zorgelijk, maar na de verhalen van Curaçao bleven de leerlingen gewoon thuis. Dus met spoed overgestapt op online onderwijs. De opkomst hiervoor was nog lager dan live, maar een grappig fenomeen was dat een aantal leerlingen die in de klas zelden een vraag stelde, online ineens wel begeleiding wilde.

Toen ik in 2017 naar Sint Maarten vertrok, had ik geen planning. Ik had een contract voor 3 jaar en ik zou daarna wel zien. Toen ik na een jaar mijn contract verbrak, moest ik tweederde van de gemaakte kosten voor verhuizing en aanvankelijke huisvesting (hotel) terugbetalen, een voorwaarde die Bonaire niet stelde toen ik met een jaarcontract mijn aanstelling begon. Dat jaarcontract is tweemaal verlengd en voor mijn unitdirecteur zich zorgen hoefde maken of ze me nu wel een vast contract moest aanbieden, heb ik aangegeven te vertrekken. Eigenlijk had ik dat vaste contract stiekem wel gewild – al was mijn idee al wel aan het eind van het schooljaar te vertrekken – gewoon voor het idee. Maar de liefde van mijn leven kwam op mijn pad en dat maakt van een idee een plan. Ik ging solliciteren in Den Haag om te kunnen wonen in Delft. En zo is het gegaan.

Word vervolgd